Beoordelen keuzes initiatiefnemer
In eerste instantie bekijkt de initiatiefnemer hoe en welke reacties uit het participatieproces leiden tot aanpassingen aan de plannen. De betrokkenen en de gemeente nemen daar kennis van. Hoe betrokkenen het participatieproces beoordelen, hangt er mede vanaf of hun inbreng ingepast kan worden in de plannen. Als dat niet kan, hoeft dat niet te betekenen dat er iets mis is gegaan in het participatietraject: soms gaan de wensen van betrokkenen te veel in tegen het algemeen belang of de gerechtvaardigde belangen van de initiatiefnemer.
Het is een groot compliment voor het participatietraject wanneer de belanghebbenden, van wie de wensen niet ingepast konden worden, zich toch gehoord voelen en het proces als rechtvaardig hebben ervaren. Daar streven we in onze gemeente graag naar.
Of een initiatiefnemer de inbreng van een deelnemer (deels) aan de kant mag schuiven, beoordeelt uiteindelijk de gemeente. Wij beoordelen ook of de initiatiefnemer genoeg gezocht heeft naar andere manieren om de wensen wel of deels mee te nemen. En of de initiatiefnemer genoeg heeft gedaan om zoveel mogelijk wensen van betrokkenen te combineren.
Het is goed om ook inzicht te geven in hoe wij die beoordeling maken. Van tevoren is het echter lastig om concreet aan te geven wanneer de gemeente kan instemmen met een keuze van de initiatiefnemer en wanneer niet. Dat komt omdat het steeds gaat om een keuze in belangen. Dit vraagt om maatwerk, waarbij wet- en regelgeving, beleid en de feitelijke situatie meespelen. Ook kijken wij naar de technische en financiële mogelijkheden en de inbreng van de andere deelnemers. Hieronder geven we enkele algemene richtlijnen die we gebruiken bij de beoordeling.
Het kan zijn dat de inbreng van een deelnemer of het voorstel van de initiatiefnemer in strijd is met de wet. Dan zal dat er vaak toe leiden dat de initiatiefnemer het plan moet aanpassen. De gemeente moet zich immers ook aan wet- en regelgeving houden. Daarbij is het wel belangrijk om te bedenken dat veel wetten en regels uitzonderingen kennen of mogelijkheden bieden om uitzonderingen te creëren. Op deze manier kan de initiatiefnemer het plan alsnog uitvoeren. Als er sprake is van zulke uitzonderingen of mogelijkheden, dan heeft wet- en regelgeving geen invloed op het plan of de inbreng op dat plan.
Voor kaders en beleid ligt de beoordeling anders dan voor wet- en regelgeving. Natuurlijk streven we naar een plan dat plan voldoen aan het (gemeentelijke) beleid en aan de eventueel voor dit plan vastgestelde kaders. Maar niet ieder plan kan tegelijk aan alle beleidsdoelen tegemoet komen. Dan zoeken we naar een goede oplossing die zo veel mogelijk rekening houdt met de verschillende gewenste doelen. We geven daarbij aan waarom soms het ene beleid zwaarder weegt dan het andere.
Voor sommige projecten wordt aan het begin, soms nog voordat de participatie van start is gegaan, speciale kaders vastgesteld. Bij de beoordeling van reacties wordt er rekening gehouden met deze kaders. Wanneer betrokkenen toch met hun reactie tegen de kaders of tegen vastgesteld beleid in willen gaan, leggen zij uit waarom het beleid of het kader niet (meer) zou moeten gelden. Bijvoorbeeld omdat het verouderd is, of omdat het in dit geval onredelijk zou uitpakken.
Soms brengen betrokkenen wensen in die niet haalbaar zijn vanwege de situatie. Bijvoorbeeld als ze bomen wensen op een plek waar kabels en leidingen (moeten) lopen en de boomwortels deze zullen beschadigen. Vaak blijkt zoiets pas bij het nader bekijken van de ideeën en plannen. Dit is dus niet van tevoren helemaal te voorspellen.
Veel ideeën van betrokkenen kunnen leiden tot extra kosten of minder opbrengsten voor de initiatiefnemer. Op zich hoeft dit niet erg te zijn. De leefomgeving in onze gemeente telt niet minder mee dan de financiële belangen van een initiatiefnemer. Het moet echter niet zo zijn dat het in een plan verwerken van alle wensen van deelnemers, dit plan financieel niet meer haalbaar maakt.
Het is logisch dat (commerciële) ontwikkelaars liever niet beginnen aan een project waarbij zij kunnen verwachten dat ze verlies lijden. Niet-commerciële ontwikkelaars komen in zo’n geval ook geld tekort. Dit leidt tot vertraging en soms ook tot achteruitgang van de nog aanwezige, verouderde bebouwing. Dat is niet goed, zeker wanneer het initiatief sociaal veel waarde heeft. Of iets mogelijk is, hangt samen met wat er op (bouwkundig) technisch gebied kan.
Betrokkenen hebben soms prachtige ideeën. Maar soms zijn die helaas technisch erg moeilijk uit te voeren en daardoor kostbaar, zodat het plan niet haalbaar is. Ook op technisch gebied geldt dat vertraging ongewenst is voor plannen die sociaal veel waarde hebben.
Verschillende deelnemers kunnen ieder verschillend over een ruimtelijk plan denken. Die meningen kunnen met elkaar botsen. De ene buurman vindt bijvoorbeeld een boom erg mooi en wil niet dat deze verdwijnt. Een buurvrouw vindt dat er te weinig parkeerplaatsen zijn in de buurt en wil dat de boom juist wel weggaat, zodat daar extra parkeerplekken kunnen komen. Bij deze botsende meningen kunnen vaak niet alle deelnemers hun zin krijgen.
Dan gaat de gemeente ook weer zoveel mogelijk uit van het vastgestelde beleid. Als dat beleid geen duidelijke oplossing biedt, kijken we verder naar betrokkenen die een reactie hebben gegeven. In hoeverre zijn de deelnemers belanghebbend? En hoeveel participanten delen een bepaalde mening? Het kan bijvoorbeeld zijn dat een betrokkene de wijk- of een belangenvereniging is en dat deze spreekt namens een groep mensen. Dan maakt de betrokkene duidelijk of deze groep mensen ook heeft meegewerkt aan het opstellen van de reactie. Daaruit komt dan naar voren of de groep deze mening deelt.